Zo hij daar
eindeloos
Gevulde zakken
Met een rotgang
In de wagen gooit
Hoe hij
Met opgestroopte
mouwen
Het vuilnis
Uit onze levens
Voorgoed verwijdert
Hij slaat zijn ogen
op
En ziet daar voor
het raam
Een dame staan
Die heel bedeesd
Zich niet bedenkt
Maar met een tergend
langzaam
Schoon gebaar
Haar haren uit haar
ogen aait
En zachtjes in
zichzelf praat
En denkt
Wat als mijn man
Zulke spieren had
En met zo'n zelfde
mooie zwaai
Ons afval uit ons
leven haalt
En vertelt dat alles
Alles altijd goed komt
Zo liefdevol en
speels
Dat tedere moment
Waarop hij zwijgend naar
haar lacht
En op haar reactie
wacht
Ze knippert lichtjes
met haar ogen
En slaat daarna haar
wimpers neer
Ze steekt haar hand
op
Van die paar meter
daar benee
Ziet de vuilnisman
gedwee
Dat zij haar hand
ophoudt
En zucht
Een goudgele
kwinkeling
Houdt haar vinger
vast
Ze is getrouwd,
verzucht hij
En vertrekt
Met hangend hoofd